Skip to main content

Historisch Nederlands douanebeleid voor bulkopslag

Het vóór 1 mei 2016 geldende Handboek Douane bevatte verschillende faciliteiten die waren toegesneden op de praktische omstandigheden van de bulksector. Deze regelingen erkenden dat minerale oliën tijdens de normale bedrijfsvoering worden opgeslagen, verplaatst en vermengd binnen een samenhangend systeem van tanks en leidingen. Permanente fysieke scheiding of identificatie van iedere oorspronkelijke partij was daarbij niet steeds mogelijk of doelmatig. Het beleid bood daarom, onder voorwaarden, ruimte voor administratieve statustoerekening, verwisseling tussen tanks en een bijzondere behandeling van onvermijdelijke restvoorraden.

Gelijkwaardigheid van minerale oliën

Voor gezamenlijke opslag van olie en olieproducten bepaalde het oude Handboek Douane dat producten die onder dezelfde GN-code waren in te delen als gelijkwaardig konden worden beschouwd. De toelichting verwees naar de in het handelsverkeer gebruikelijke benamingen, kwaliteitsnormen en technische kenmerken die in de GN-indeling waren verwerkt. Dezelfde GN-code vormde daarmee het praktische uitgangspunt voor de beoordeling van gelijkwaardigheid, behoudens aanvullende voorwaarden voor specifieke producten.

Deze aanvullende voorwaarden waren opgenomen in bijlage 3. Zo golden bijzondere onderscheidingen voor onder meer lichte oliën met en zonder biobrandstof, bepaalde gasoliën en smeeroliën. De benadering hield dus geen onvoorwaardelijke gelijkstelling van alle goederen onder dezelfde GN-code in, maar evenmin een eis dat iedere partij op alle analytische eigenschappen identiek moest zijn. Het Handboek illustreerde dit met gezamenlijke opslag van communautaire en niet-communautaire stookolie met verschillende zwavelgehalten, maar dezelfde toenmalige GN-code.

Vindplaatsen: oud Handboek Douane, 15.50.00, § 8.2.2; bijlage 3 bij onderdeel 15.50.00; 15.00.00, bijlage 7, § 13.2.1.

De tanklocatie als eenheid voor statustoerekening

Voor olie en olieproducten wees het oude Handboek uitdrukkelijk de tanklocatie, en niet de individuele tank, aan als relevante begrenzing voor de vaststelling van de douanestatus:

“Bij deze goederensoorten is voor de vaststelling van de douanestatus de begrenzing van de tanklocatie bepalend.”

Daarbij was expliciet toegestaan om gelijkwaardige partijen uit verschillende tanks met elkaar te verwisselen, mits de goederen van dezelfde eigenaar waren en zich op dezelfde locatie bevonden. De douanestatus moest aantoonbaar zijn en er mocht niet worden vooruitgelopen op goederen die elders lagen of nog onderweg waren. Een locatie kon bestaan uit meerdere aaneengesloten kadastrale percelen binnen hetzelfde werkgebied; een openbare weg door dat gebied stond daaraan niet noodzakelijk in de weg.

Deze regeling sloot aan bij de algemene toelichting dat het bij bepaalde goederenstromen tijdens de normale bedrijfsvoering niet steeds mogelijk was om “te allen tijde” de status te onderscheiden. Naast praktische redenen noemde het Handboek milieu, energievoorziening en energiebesparing. De douanestatus werd daarom gekoppeld aan de administratief verantwoorde hoeveelheid.

Vindplaats: oud Handboek Douane, 15.50.00, §§ 8.2 en 8.2.2.

Bijzondere behandeling van tankhielen en leidingrestanten

Het oude beleid erkende dat opslagtanks na normale leveringen niet volledig leeg zijn. Een beperkte restantvoorraad, de zogenoemde hiel of ijzeren voorraad, blijft achter en kan doorgaans pas bij volledige reiniging worden verwijderd.

Deze hiel mocht onder cumulatieve voorwaarden buiten de verantwoording van de betrokken douanefaciliteiten blijven. De werkelijke restantvoorraad mocht maximaal 0,5% van de totale opslagcapaciteit bedragen, mocht niet leiden tot wijziging van de GN-code van de daarop geloste partijen en mocht niet aangroeien doordat delen van nieuwe ontvangsten buiten de administratie bleven. De hiel had in beginsel niet-communautaire status, tenzij sinds de laatste volledige reiniging uitsluitend communautaire minerale oliën waren opgeslagen. De grens van 0,5% was geen forfait: uitsluitend de daadwerkelijk aanwezige restantvoorraad kon buiten beschouwing blijven.

Van bijzonder belang is dat communautaire goederen met een afwijkende GN-code op deze restantpartij mochten worden opgeslagen. Daarbij werd geacht aan de voorwaarden voor gezamenlijke opslag te zijn voldaan, mits de tank verder leeg was en de GN-code, handelskwaliteit en technische kenmerken van de geloste partij niet veranderden.

Daarnaast bevatte het Handboek een specifieke uitzondering voor onbedoelde contaminatie van lichte olie door biobrandstofhoudend restproduct, waarbij achtergebleven product in een leiding uitdrukkelijk als voorbeeld werd genoemd. Ook deze uitzondering was aan product- en hoeveelheidsvoorwaarden gebonden.

Deze bepalingen vormden geen algemene vrijstelling voor restvoorraden, maar laten wel zien dat onvermijdelijke fysieke restvermenging niet zonder meer hoefde te leiden tot statusverlies van de volledige daaropvolgende partij.

Vindplaatsen: oud Handboek Douane, 15.00.00, bijlage 7, § 13.5; 15.50.00, bijlage 3, onderdeel lichte oliën.

Gezamenlijke opslag en gebruikelijke behandelingen

Het oude Handboek maakte onderscheid tussen gezamenlijke opslag en mengen als gebruikelijke behandeling.

Gezamenlijke opslag was ook mogelijk wanneer deze tot doel had het product op specificatie te brengen. Het Handboek bepaalde daarbij dat niet één nieuwe partij ontstond, zelfs niet bij het op specificatie brengen. De oorspronkelijke hoeveelheden bleven administratief met hun eigen douanestatus bestaan. Een uitgewerkt voorbeeld liet toe dat bij uitslag eerst de beschikbare communautaire hoeveelheid werd afgeboekt en uitsluitend voor het meerdere invoerformaliteiten werden vervuld.

Voor mengen als gebruikelijke behandeling gold in de teruggevonden handboekversie een andere benadering. Het uit communautaire en niet-communautaire componenten verkregen mengsel werd als niet-communautair aangemerkt; evenredige statustoedeling aan de samenstellende delen was niet toegestaan. Wel kon bij de berekening van invoerrechten op verzoek worden uitgegaan van de soort, douanewaarde en hoeveelheid alsof de gebruikelijke behandeling niet had plaatsgevonden. Daarmee kon heffing over de communautaire component worden voorkomen.

Deze heffingscorrectie moet worden onderscheiden van behoud van de communautaire status van de component zelf. Een mogelijk daaraan voorafgaand beleid dat ook bij gebruikelijke behandelingen het statusbehoud van afzonderlijke componenten toestond, is vooralsnog niet met een gedateerde oorspronkelijke bron vastgesteld en wordt daarom niet als vaststaand onderdeel van deze analyse aangevoerd.

Vindplaatsen: oud Handboek Douane, 15.00.00, bijlage 7, §§ 13.2.1, 13.3.1, 13.3.2 en 13.4.1; 15.50.00, §§ 7.3–7.4.

Betekenis voor de huidige beoordeling

De gemeenschappelijke lijn in deze historische regelingen is dat fysieke vermenging niet automatisch werd gelijkgesteld aan douanerechtelijk statusverlies. Het beleid bood ruimte om de noodzakelijke onderscheidingen administratief te handhaven, rekening houdend met productgelijkwaardigheid, de afbakening van de opslaglocatie, onvermijdelijke restvoorraden en een sluitende hoeveelhedenadministratie.

Deze beleidsontwikkeling is relevant voor de uitleg van artikel 177 GVo DWU, in het bijzonder de begrippen opslagruimte, te allen tijde en onevenredige kosten. Zij ondersteunt een beoordeling die rekening houdt met de volledige operationele cyclus van een bulkterminal, in plaats van uitsluitend met de tijdelijke fysieke verdeling van goederen over individuele tanks.

Het historische beleid vormt echter geen zelfstandige rechtsgrond voor voortzetting van iedere vroegere faciliteit. De huidige toelaatbaarheid moet worden beoordeeld aan de hand van het geldende Unierecht, de toepasselijke vergunning en de relevante feiten. De historische bepalingen tonen vooral aan dat locatiegebonden statustoerekening en oplossingen voor restvermenging expliciete, gecontroleerde onderdelen van het Nederlandse uitvoeringsbeleid waren, en niet uitsluitend op een door de sector ontwikkelde praktijk berustten.

De aangehaalde bronnen behoren tot de officiële collectie “Handboek Douane (HD), geldig tot 30 april 2016”.